Antwoord op een antwoord voor een scepticus

“Alle buideldieren zijn wel Metatheria, maar niet alle Metatheria zijn buideldieren.”

Sinds kort heeft het Logos Instituut de pagina ‘Antwoorden voor (welwillende sceptici’, later aangevuld tot ‘Antwoorden voor (welwillende) sceptici, critici en waarheidszoekers‘. Die laatste toevoeging is wel nodig, want er staan op die pagina ook antwoorden op vragen als ‘Wat is de Pilatusweek?’, wat bepaald geen kritische vraag is. Hoe dan ook, het is natuurlijk alleen maar te prijzen dat het Logos Instituut van plan is om critici van een antwoord te voorzien.

Gisteren verscheen er van de hand van Jan van Meerten een reactie op een onbekende ‘scepticus’. Deze ‘scepticus’ reageerde op een artikel over de vraag waarom er geen fossiele kangoeroes gevonden zijn in het Midden-Oosten. Zijn reactie was als volgt:

Het grappige is natuurlijk dat fossielen van buideldieren overal gevonden zijn (Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en zelfs Antarctica) behalve in het Midden-Oosten! Maar dat “vergeet” Logos weer te vermelden…

In het artikel waar deze blogpost over gaat reageert Jan van Meerten op de stelling van betreffende persoon dat er geen fossielen van buideldieren zijn gevonden in het Midden-Oosten. Van Meerten beweert namelijk dat dit wel het geval is. Ik zal hieronder eerst de vondsten benoemen die Van Meerten gebruikt, daarna uitleggen waarom ze zijn stelling niet onderbouwen en vervolgens betogen dat de vermelde vondsten het probleem dat de ‘scepticus’ vermoedelijk wilde aankaarten helemaal niet oplossen, maar hooguit erger maken.

De vondsten

Jan van Meerten noemt in totaal vier vondsten van twee locaties, een in Turkije en een in Egypte. De eerste vondst van de locatie in Turkije wordt beschreven in deze studie. Het gaat hier om twee verschillende soorten: Galatiadelphys minor (behorend tot de familie Herpetotheriidae) en Orhaniyeia nauta (behorend tot de familie Anatoliadelphyidae). De auteurs benoemen dat dit beide families zijn binnen de Metatheria en dat het stem marsupials zijn, waarover later meer.

De tweede vondst komt van min of meer dezelfde locatie als de eerste, maar beschrijft een ander fossiel. Het gaat om de Anatoliadelphys maasae binnen de Marsupialiformes binnen de Metatheria. In Figuur 39 van de studie wordt een uitgebreide fylogenetische stamboom weergegeven.

De derde en vierde vondst komen uit Egypte. Jan van Meerten noemt hier twee studies, de eerste uit 1984 en de tweede uit 2007. De eerste beschrijft een fossiel van het genus Peratherium en plaatst deze binnen de Marsupialia (buideldieren). Vandaar dat de titel van het artikel gaat over ‘the first African marsupial‘. De tweede studie beschrijft een kaakfragment met twee molaren (achterste kiezen). Het fossiel heeft zowel kenmerken van Marsupialia (buideldieren) als Chiroptera (vleermuizen), maar de auteurs neigen het sterkst naar de eerste optie. Het fragment is echter niet eenduidig en er is vaker verwarring ontstaan over de toeschrijving van dergelijke fragmenten.

Taxonomie en fylogenie

De stelling die Jan van Meerten in zijn artikel verdedigt, is dat er fossiele buideldieren zijn gevonden in het Midden-Oosten. De buideldieren (Marsupialia) zijn een clade binnen de Marsupialiformes, dat weer een clade is binnen de Metatheria. Alle buideldieren zijn wel Metatheria, maar niet alle Metatheria zijn buideldieren. Vreemd genoeg geeft Van Meerten dat ook in zijn artikel aan.

Voor de eerste twee locaties geldt dat beide families tot de Marsupialiformes behoren, maar dat beide families meestal niet tot de Marsupialia gerekend worden, zie daarvoor deze studieIncertae sedis in Table 1 houdt in dat hun positie binnen de Marsupialiformes betwist of niet bekend is. Voor beide families geldt dat ze in sommige studies binnen de Marsupialia geplaatst worden (zie deze studie voor de Herpetotheriidae), maar doorgaans is dat niet het geval. Vandaar ook dat de studie waar Van Meerten naar verwijst spreekt over stem marsupials; dat wil zeggen: fossiele niet-buideldieren die nauwer verwant zijn aan buideldieren dan aan alle andere levende soorten. Vandaar ook dat de Wikipediapagina’s waar Van Meerten naar verwijst, spreken over een buideldierachtige, niet over een buideldier. Als Jan van Meerten stelt dat de Herpetotheriidae een familie is ‘waar volgens sommige onderzoekers ook de opossums toe behoren’, dan heeft hij dat waarschijnlijk van Wikipedia, maar een studie over de fylogenie van opossums stelt duidelijk:

Herpetotheriidae (…) has traditionally been allied with opossums (Didelphidae) based on fragmentary material, mainly dentitions. Analysis of the new material reveals that several aspects of the cranial and postcranial anatomy (…) distinguish Herpetotherium from opossums. We found that Herpetotherium is the sister group to the crown group Marsupialia and is not a stem didelphid.

Ook de Peratheria uit Egypte behoren tot de Herpetotheriidae, wat hun identificatie als buideldieren (zoals dat in 1984 gedaan werd) onzeker maakt. Uiteraard kan ook het dubieuze kaakfragment heel goed tot een Metatherium horen dat geen buideldier is. Dat betekent dat er geen enkele duidelijke vondst is van een buideldier in het Midden-Oosten.

Zelfs al zou Jan van Meerten gelijk hebben met de twee locaties die hij noemt, dan nog geldt dat buideldieren in het Midden-Oosten zeer schaars zijn. Een zoektocht in de Paleobiology Database laat zien dat er geen andere gerapporteerde locaties zijn waar Metatheria – laat staan Marsupialia – zijn gevonden.

Implicaties

Laten we teruggaan naar de oorspronkelijke reactie waar Jan van Meerten op reageerde. Ik weet natuurlijk niet precies wat de ‘scepticus’ met zijn/haar reactie bedoelde, maar gezien de context van het artikel gaat het om het probleem dat buideldieren uit het Midden-Oosten (de Ararat) zouden zijn gemigreerd naar Amerika en Australië, terwijl dit niet blijkt uit de fossielen. Zelfs al zou Van Meerten hier twee vindplaatsen met buideldieren hebben gevonden (wat dus dubieus is), dan nog heeft hij dit probleem daar niet mee opgelost.

Ten eerste bevinden de vindplaatsen zich weliswaar in het Midden-Oosten, maar niet op de route naar Australië, zoals de onderstaande figuur laat zien. In een soort oranje (?) zijn de vindplaatsen met Metatheria te zien. In rood heb ik de volgens creationisten vermoedelijke locatie van de Ararat aangegeven, Mount Judi. De pijl laat de richting van Australië zien. Hieruit blijkt dat de vondsten precies op de verkeerde plek in het Midden-Oosten liggen om onderdeel te zijn van het migratiepatroon van de Ararat naar Australië. Weliswaar zouden ze op de route naar Zuid-Amerika kunnen liggen, maar de meeste buideldieren bevinden zich in Australië. Voor die buideldieren zijn deze fossielen dus geen resten van de migratie vanuit het Midden-Oosten.

Migratie buideldieren
Bron: https://paleobiodb.org/navigator/

Een tweede, veel groter probleem is dat het taxon ‘buideldieren’ voor creationisten weinig betekenis heeft. Creationisten geloven namelijk dat organismen afzonderlijk van elkaar geschapen zijn in zogenaamde ‘baramins’. Deze baramins worden door de meeste creationisten gezocht op het niveau van de familie. De resten van eventuele buideldieren uit uitgestorven families als de Herpetotheriidae zeggen dus niets over de migratie van bijvoorbeeld kangoeroes vanuit het Midden-Oosten. Daarvoor zouden we fossiele Macropodidae moeten vinden. Daarvan worden de fossielen echter alleen in en rond Australië gevonden. Hetzelfde geldt voor de familie Phascolarctidae, waartoe de koala’s behoren. Hetzelfde geldt ook voor alle andere Australidelphia, waartoe alle Australische buideldieren behoren. Die paar eventuele basale Marsupialia verhelpen dus weinig aan het beeld dat de fossielen (en de genetica) schetsen.

Dan tot slot nog het antwoord dat op logos.nl op dit probleem gegeven wordt. Volgens Jan Rein de Wit is het mogelijk dat kangoeroes (en andere buideldieren, neem ik aan) wel in het Midden-Oosten geleefd hebben, maar daar niet gefossiliseerd zijn. Daarbij zijn twee dingen opvallend. Ten eerste heeft Jan van Meerten nu laten zien dat verwanten van de buideldieren wel gefossiliseerd zijn in het Midden-Oosten, wat het aannemelijk maakt dat dit ook voor buideldieren mogelijk was. Ten tweede is Jan Rein de Wit van mening dat de zondvloedgrens heel laag ligt, rond het Perm. Dat betekent dat alle sedimenten van na het Perm mogelijk buideldierfossielen kan bevatten. Ook Jan van Meerten is van mening dat ten minste de Kenozoïsche sedimenten waarschijnlijk van na de zondvloed zijn. Daardoor hebben zij een veel groter probleem dan veel Amerikaanse creationisten die van mening zijn dat de zondvloedgrens veel hoger ligt en dat er na de zondvloed alleen hier en daar nog wat lokale sedimentatie is geweest. In dat geval zou je inderdaad kunnen stellen dat het niet vreemd is dat er geen fossiele buideldieren zijn gevonden in het Midden-Oosten. Maar als je ervan uitgaat dat een groot deel van de sedimenten van het Midden-Oosten na de zondvloed zijn gevormd (en dat zijn dikke pakketten kalksteen, zandsteen en schalie), dan wordt de afwezigheid van buideldieren een veel groter probleem. Dit probleem wordt overigens door Jan van Meerten erkend. Ten derde is er nog het gegeven dat in Australië, Zuid-Amerika en Antarctica wel veel fossielen uit de huidige buideldierenfamilies zijn gevonden (zoals de ‘scepticus’ al aangaf), wat het des te vreemder maakt dat dit in het Midden-Oosten niet het geval is.

Conclusie

Jan van Meerten heeft in zijn reactie op een ‘scepticus’ niet laten zien dat er fossielen van buideldieren zijn gevonden in het Midden-Oosten; er zijn slechts Metatheria gevonden die waarschijnlijk buiten de Marsupialia geplaatst moeten worden. Zelfs al zouden deze fossielen, die van slechts twee locaties afkomstig zijn, buideldieren zijn, dan nog is daarmee het probleem voor creationisten (de afwezigheid van fossiele buideldieren in het Midden-Oosten) niet opgelost. Ten eerste omdat de vindplaatsen niet op de route van de Ararat naar Australië liggen en ten tweede omdat fossielen van specifieke Australische buideldierbaramins (zoals kangoeroes en koala’s) alsnog ontbreken. Jan van Meerten heeft het probleem zelfs nog groter gemaakt door te laten zien dat verwanten van buideldieren wel konden fossiliseren in het Midden-Oosten; bovendien is hij met Jan Rein de Wit van mening dat een groot deel van de sedimentaire gesteenten in het Midden-Oosten na de zondvloed is gevormd en er dus veel mogelijkheden waren om buideldieren te laten fossiliseren.

Theïstische evolutie en natuurlijk kwaad (5)

Mona_Lisa,_by_Leonardo_da_Vinci,_from_C2RMF_retouched (2)

In de openingspost van deze blogserie heb ik twee problemen geschetst voor theïstisch evolutionisme. Het eerste probleem is het feit dat – als theïstisch evolutionisme waar is – God lijden en dood gebruikt heeft als scheppingsmechanisme. Het tweede probleem is dat het mechanisme van natuurlijke selectie de bevoordeling van de beter aangepaste organismen is, terwijl God in de Bijbel juist opkomt voor het zwakkere. Dit laatste probleem heb ik in het vorige deel behandeld; in dit deel wil ik het eerste probleem bespreken.

In het tweede deel van de serie heb ik aangegeven waarom ik de oplossingsrichtingen van Gijsbert van den Brink voor het eerste probleem niet overtuigend vind. Daarbij schreef ik dat Van den Brink eerst een aantal oplossingen afschrijft, waaronder het neocartesianisme. In deze blogpost wil ik het neocartesianisme verdedigen als een oplossing die ten minste een groot deel van het natuurlijk kwaad kan verklaren, zeker in combinatie met een free will defence.

Het neocartesianisme dankt haar naam aan René Descartes. In zijn mechanistische wereldbeeld waren alle organismen een soort machines, de mens ook. Bij de mens komt daar echter nog een ziel bij, die wat eigenschappen betreft volledig losstaat van het lichaam. Dieren, die geen ziel hebben, zijn dus gewoon machines waartegen handelingen geen morele lading hebben. Neocartesianisten erkennen wel dat dieren gevoel hebben, maar dat dit gevoel zich door het ontbreken van een zelfbewustzijn niet vertaalt in lijden.

Zoals Van den Brink aangeeft, is het eigenlijk onmogelijk om te bepalen of het neocartesianisme waar is of niet. Er kunnen hooguit aanwijzingen zijn dat dieren lijden, maar zeker weten doe je het nooit, omdat je niet kunt weten wat het dier ervaart. Echter, dat geldt ook voor de mensen om ons heen. Het is echter ook niet helemaal duidelijk waar een levend wezen precies aan moet voldoen om te behoren tot de groep van wezens waartegen handelingen moreel geladen zijn.

Als we de complexe filosofische vraagstukken even laten liggen, kunnen we ook kijken naar de praktijk. De meeste mensen vinden het niet erg – niet moreel geladen – om bijvoorbeeld planten en insecten te doden. Bij gewervelden ligt dat anders, zeker bij zoogdieren. Hoe menselijker een dier, hoe sneller morele vraagstukken een rol gaan spelen. Van den Brink schrijft dan ook: ‘Toch lijkt het het meest redelijk om te veronderstellen dat er sprake is van een continuüm, waarbij dieren meer en meer beschikken over de capaciteit om bewuste pijnervaringen te ondergaan naarmate hun neuroanatomie en neurofysiologie meer op die van ons lijken’ (Van den Brink 2017, 153).

Dit continuüm wil ik gebruiken om een deel van het natuurlijk kwaad te verklaren. Laten we een ‘simpel’ organisme nemen, bijvoorbeeld een fruitvliegje. Laten we aannemen dat dit fruitvliegje een te simpele vorm van hersenactiviteit heeft om te spreken van ‘lijden’. In dat geval kunnen we het fruitvliegje ethisch beschouwen als een machine. Neem nu een ander organisme, bijvoorbeeld een vos. Laten we aannemen dat dit dier wel kan lijden. Nu is mijn hypothese: als een dier kan lijden, is het dier ook in staat om zelf morele handelingen te verrichten.

Ik kan me voorstellen dat er allemaal alarmbellen gaan rinkelen. Een dier als een vos kan toch geen rationele beslissingen nemen? Wordt een vos dan niet volledig gestuurd door zijn natuurlijke driften? Mijn tegenwerping is dat morele handelingen van mensen ook omgeven zijn door een dikke schil van zaken waar zij geen invloed op hebben (Nagel 1976). Waar het naar mijn mening om gaat, is of het handelend wezen een vrije wil heeft. Maar of een dier een vrije wil heeft, kan onmogelijk bepaald worden – in ieder geval niet met de wetenschappelijke methode.

Als een dier kan beschouwd worden als een moreel handelend wezen, verschilt het probleem van natuurlijk lijden in niets met de verklaring voor het kwaad in het algemeen. En dat probleem staat los van de evolutietheorie en is dus geen specifiek probleem voor theïstisch evolutionisme. De beste oplossing is daarbij, mijns inziens, de free will defence van Alvin Plantinga. De oplossing in deze blogpost is dus een tweesnijdend zwaard en werkt met de volgende drie punten:

  • Ieder organisme is ofwel ethisch gezien een machine (neocartesianisme) of een moreel handelend wezen.
  • Als het organisme een machine is, hebben handelingen ertegen geen ethische lading.
  • Als het dier een moreel handelend wezen is, kan het natuurlijk kwaad opgelost worden met de free will defence.

Lost deze verklaring het eerste probleem volledig op? Mijns inziens niet, omdat deze oplossing nog voorbij gaat aan het specifieke probleem dat God natuurlijk kwaad als scheppingsmechanisme heeft gebruikt. Toch denk ik dat het een waardevolle verklaring is om een groot deel van het natuurlijk kwaad op te lossen.

Referenties

Van den Brink, G. (2017). En de aarde bracht voort. Zoetermeer: Boekencentrum.

Nagel, T. (1976). Moral Luck. Proceedings of the Aristotelian Society 50, 137–155.

Afbeelding is een detail uit het schilderij Mona Lisa van Leonardo da Vinci. (Bron)

Drie soorten creationisten

Recent werd mijn aandacht getrokken door een artikel van Bart Klink, dat gepubliceerd is op zijn website. Het artikel is een beroep op creationisten om te concretiseren wat hen zou overtuigen van hun ongelijk. Hoewel ik geen creationist ben, wil ik in deze blogpost op het artikel van Klink reageren. De vraag wat creationisten zou overtuigen bepaalt namelijk waar je je in een discussie met creationisten het beste op kunt focussen. Daarmee kun je zinnige discussies van nutteloze discussies onderscheiden en dat helpt alle partijen in het schepping/evolutiedebat vooruit.

Wat voor soort antwoord?

Uit het artikel van Klink wordt mij niet duidelijk op wat voor soort antwoord hij eigenlijk wacht. De vraag ‘wat zou jou overtuigen’ kun je immers op allerlei manieren beantwoorden. Ten eerste is er een onderscheid tussen specifieke en algemene antwoorden. Een specifiek antwoord is bijvoorbeeld ‘een nieuwe dateringsmethode’; een algemeen antwoord is bijvoorbeeld ‘een goed argument’. Voor algemene antwoorden geldt dat het lastig is voor de vraagsteller om aan te tonen dat hij een dergelijk argument heeft, maar tegelijkertijd houdt het wel alle opties open. Want waarom zou het per se een nieuwe dateringsmethode moeten zijn waarmee de creationist overtuigd moet worden? Nieuwe argumenten hebben vaak de neiging om juist uit onverwachte hoek te komen.

Ten tweede lokt de vraag uit om de bewijslast heel hoog te leggen. Je kunt immers niet zomaar bepalen wat objectief bezien de juiste mate van bewijs is die nodig is om jou te overtuigen. (Dan zou de vraag ook helemaal niet nodig zijn, de vraagsteller kan dan zelf bepalen wat er nodig is om de ander te overtuigen.) Omdat van mening veranderen en toegeven dat je fout zat nooit leuk is, kun je voor de veiligheid de bewijslat beter te hoog leggen dan te laag.

Misschien moeten we creationisten daarom niet meer vragen wat hen zou overtuigen. We kunnen dat veel beter zelf bepalen. De manier waarop ik denk dat te kunnen doen, is door de manier van denken van creationisten te analyseren. Het uitgangspunt daarbij is het gebruik van basisaannames.

Basisaannames

Een van de belangrijkste theorieën binnen de epistemologie is funderingsdenken (foundationalism). Funderingsdenken is de idee dat alle kennis moet berusten op een aantal basisovertuigingen, zoals het vertrouwen in de logica en het waarnemingsvermogen. Deze basisovertuigingen vormen het fundament van alle andere overtuigingen. Een tegenhanger van funderingsdenken is het coherentisme. Die theorie stelt dat basisovertuigingen niet bestaan, maar dat alle overtuigingen in een netwerk aan elkaar vast zitten, waarbij centrale overtuigingen voor een persoon belangrijker en zekerder zijn dan perifere overtuigingen.

Ik denk dat je in een goede discussie ook een fundament kunt aanwijzen. Dat fundament bestaat uit de dingen waar beide partijen in de discussie het over eens zijn. Die dingen noem ik basisaannames. Niet geheel toevallig zijn de belangrijkste basisaannames in een discussie vaak dezelfde als de basisovertuigingen van funderingsdenkers. Op enkele sceptici en postmodernisten na gaat een discussie bijna altijd tussen twee partijen die vertrouwen stellen in de logica en de empirie. Uiteraard zijn logica en empirie van groot belang in het schepping/evolutiedebat, daarom noem ik dergelijke basisaannames relevant.

Deze relevante basisaannames zijn mijns inziens van groot belang voor de manier waarop creationisten zijn te overtuigen. Ik onderscheid daarbij drie soorten creationisten: wetenschapscreationisten, weegschaalcreationisten en Bijbelcreationisten. In dit schema zie je de beslisboom waarmee je kunt bepalen wat voor soort creationist iemand is:

Beslisboom creationisme

Wetenschapscreationisten

Allereerst is er de categorie van de wetenschapscreationisten. Deze creationisten zijn van mening dat empirische gegevens in principe voldoende zijn om de juistheid van het jongeaardecreationisme aan te tonen. Zij zijn ervan overtuigd dat creationisme de beste wetenschappelijke verklaring is. Zij zijn bijvoorbeeld van mening dat de beste verklaring voor de specifieke kenmerken van fossielen en gesteentelagen een recente zondvloed is. Dit leidt tot titels als ‘Evolution: the fossils say no!’ of ‘Grand Canyon: monument to catastrophe’.

Veel creationisten presenteren zich als wetenschapscreationisten. Toch denk ik dat onder die buitenste laag vaak een kern van weegschaalcreationisme of Bijbelcreationisme zit. Naar mijn mening gaat het om slechts een heel klein deel van de creationisten. Mocht iemand een wetenschapscreationist zijn, dan kan diegene overtuigd worden door een wetenschappelijke discussie aan te gaan over fossielen, radio-isotopendatering, genduplicaties en dergelijke onderwerpen.

Bijbelcreationisten

Helemaal aan de andere kant van het spectrum zitten de Bijbelcreationisten. Zij baseren hun overtuiging niet op de relevante basisaannames – logica en empirie – maar op een vrij specifieke basisovertuiging, bijvoorbeeld dat alles in de Bijbel letterlijk waar is. (N.B. Dit is een voorbeeld. De meeste creationisten houden er een genuanceerdere visie op de Bijbel opna, maar voor de schepping/evolutiediscussie komt het op hetzelfde neer.) Omdat jongeaardecreationisme daar als overtuiging vrijwel direct en onvermijdelijk uit volgt, is het praktisch onmogelijk dat empirisch bewijs een dergelijke creationist zou overtuigen.

Ik denk dat het grootste deel van de creationisten binnen de categorie van Bijbelcreationisten valt. In ieder geval in Nederland lijkt mij dat het geval. Dat betekent dat allerlei discussies over fossielen en genen weinig zin hebben om de meeste creationisten te overtuigen. Maar hoe zijn dergelijke creationisten dan wel te overtuigen? Hoewel dat lastig blijft, moet dat hoe dan ook een epistemologische discussie zijn. Het belangrijkste daarbij is dat ik denk dat de specifieke Bijbelinterpretatie waaruit creationisme volgt voor de meeste creationisten geen werkelijke basisovertuiging is, maar alleen op die manier gebruikt wordt. Ik zal dat proberen uit te leggen met een voorbeeld.

Als je aan een gewone Nederlander vraagt wat hij zich voorstelt bij een democratie, dan zal hij waarschijnlijk iets zeggen over een parlement, politieke partijen en verkiezingen. Sterker nog, vergelijkbare antwoorden werden onlangs nog gegeven door filosofiestudenten in een college over democratie. In feite zijn de drie bovenstaande elementen allemaal niet-essentiële kenmerken van een democratie. Democratie kan door middel van loting, zoals in het oude Griekenland; in dat geval mis je alle drie de bovenstaande kenmerken. Als een land geregeerd wordt door referenda – zoals in Zwitserland in bepaalde mate gebeurt – heb je geen parlement of politieke partijen nodig. Ook in Nederland hadden politieke partijen tot 1917 geen officiële functie. Toch associeert vrijwel iedereen democratie direct met bijvoorbeeld verkiezingen. Dat komt voort uit het feit dat alle huidige democratieën op alle niveaus die ik ken gebruikmaken van verkiezingen.

Stel nu dat ik de basisovertuiging heb dat democratie de enige juiste staatsvorm is. Ik zou dan de overtuiging kunnen hebben dat verkiezingen een essentieel onderdeel van een democratie zijn en dat de noodzaak van verkiezingen dus een basisovertuiging is. Maar in feite is dat niet zo, want er zijn democratieën mogelijk zonder verkiezingen. Als ik daarop gewezen word, kan ik de overtuiging laten varen dat de noodzakelijkheid van verkiezingen een onderdeel van mijn basisovertuiging is.

Naar mijn mening is een vergelijkbare techniek de beste methode om te discussiëren met Bijbelcreationisten. Ik denk namelijk dat voor de meeste creationisten hun Bijbelinterpretatie geen basisovertuiging is, maar dat die basisovertuiging hoger in het bovenstaande schema gezocht moet worden; bijvoorbeeld bij de overtuiging dat het christelijk geloof waar is. Veel creationisten denken echter dat hun Bijbelinterpretatie daar een essentieel onderdeel van is. Als je kunt aantonen dat dit niet het geval is, zullen Bijbelcreationisten moeten veranderen in de derde categorie creationisten.

Weegschaalcreationisten

De laatste categorie zit tussen de twee andere in. Weegschaalcreationisten erkennen dat de wetenschappelijke gegevens geen reden zijn om tot een creationistische overtuiging te komen, maar ze verwerpen ook de waarde van dat soort bewijsmateriaal niet. Zij wegen echter zowel de empirische als Bijbelse gegevens mee en komen zo tot de conclusie dat het creationisme de meest waarschijnlijke conclusie is. De weging van de Bijbelse gegevens kan echter van creationist tot creationist verschillen, afhankelijk van de basisovertuigingen van de weegschaalcreationist. Dat is in bovenstaande figuur weergegeven. Ook coherentisten die niet alleen het bestaan van basisovertuigingen, maar ook het bestaan van basisaannames ontkennen, zijn mijns inziens weegschaalcreationisten.

Ook weegschaalcreationisten vormen voor zover ik kan beoordelen een minderheid. Zij kunnen op allerlei verschillende manieren overtuigd worden, zowel door wetenschappelijke argumenten als door ontleding van hun basisovertuigingen en hun Bijbelinterpretatie.

Een vierde soort?

Hierboven schreef ik dat het grootste deel van de Nederlandse creationisten Bijbelcreationist is. Misschien is dat bij nader inzien toch niet helemaal waar. Het grootste deel van de actieve creationisten is Bijbelcreationist. De meeste creationisten zijn echter creationist vanwege hun opvoeding of omdat hun dit goed uitkomt. Zij staan verder weinig stil bij die overtuiging. Deze groep kan het beste irrationele creationisten genoemd worden. Er is ook nog een vijfde soort mogelijk, namelijk die van postmoderne creationisten. Daar heb ik echter nog nooit van gehoord. Voor de schepping/evolutiediscussie zijn deze twee groepen niet zo van belang.

Een vraag aan creationisten

Bovenstaande uiteenzetting is slechts een ruwe schets van de onderverdeling van creationisten op basis van hun overtuigingen. Voor een goed overzicht zou ik ook iets moeten schrijven over de argumentatieve waarde van openbaring, de positie van de Bijbel binnen het christelijk geloof en vergelijkbare onderwerpen. Het is dus slechts een eerste opzet, die alleen verfijnd kan worden door gezamenlijk werk van creationisten en niet creationisten. Daarom heb ik de volgende vraag aan creationisten:

Herkennen jullie je in bovenstaande onderverdeling? Zo niet, wat mist er dan of wat is er verkeerd geformuleerd?

Dit is geen vraag die creationisten ‘altijd ontwijken’, omdat zij nog niet eerder is gesteld – of in ieder geval weinig is gesteld. Toch denk ik dat het een belangrijke vraag is om te beantwoorden.

Theïstische evolutie en natuurlijk kwaad (4)

The Magpie on the Gallows, by Pieter Brueghel the Elder

Inleiding

In dit vierde deel van de blogserie over theïstische evolutie en natuurlijk kwaad wordt het voor mij pas echt spannend, omdat ik nu zelf oplossingen moet gaan aandragen voor de problemen die ik in de openingspost uiteengezet heb. In deze aflevering zal ik mij beperken tot het voordragen van oplossingen voor het tweede probleem, de vraag of evolutie in overeenstemming te brengen is met het karakter van God. Ik benader dit probleem op een andere manier dan Rik Peels, wiens oplossingen ik in de vorige blogpost heb besproken.

De methode

In de openingspost heb ik het tweede probleem in een logische structuur weergegeven. Een oplossing van het probleem is altijd het aanvallen van een van de premissen in het argument. Mijn eerste oplossing zal zich richten op de derde premisse:

(4) Evolutie is doorgaans het sterven van de minst aangepaste organismen en het overleven van de best aangepaste organismen (derde premisse)

De tweede oplossingsrichting gaat over de tweede premisse, die ik net als Peels betwijfel:

(3) In het evolutieproces zijn de minst aangepaste organismen ‘het zwakkere’ en de best aangepaste organismen ‘het sterkere’ (tweede premisse)

Verder wil ik vooraf duidelijk maken dat mijn argumenten er niet op gericht zijn om te ontkennen dat er gedurende de evolutie veel zwakkere individuen zijn gestorven ten koste van sterkere. Mijn stelling is dat God dit slechts toegelaten heeft en dat Hij dit niet gewild heeft. Wanneer creationisten in dat eerste alsnog een probleem zien, zouden zij uit moeten leggen waarom ook heden ten dage veel zwakkeren leed ondervinden. Als ik dus kan aantonen dat evolutie iets anders is dan het overleveren van beter aangepaste individuen ten koste van slechter aangepaste, heb ik het tweede probleem opgelost.

Oplossing 1: Evolutie op verschillende niveaus

Op de schaal van enkele jaren wordt de wereldwijde gemiddelde temperatuur grotendeels gestuurd door de ‘El Niño Southern Oscillation’. Kijk je op de schaal van enkele eeuwen of millennia, dan is de CO2-concentratie de belangrijkste factor. Op de schaal van tienduizenden jaren spelen milankovićcycli een grote rol en gedurende tientallen miljoenen jaren wordt de wereldwijde temperatuur vooral bepaald door gebergtevorming, erosie en andere processen die met plaattektoniek te maken hebben. Op verschillende tijdschalen spelen verschillende processen een rol.

In een populatie van een bepaalde soort is natuurlijke selectie de belangrijkste factor. Daarmee worden eigenschappen die de fitness verhogen geselecteerd ten nadele van de eigenschappen die dat niet doen. Op deze manier kan ook speciatie verklaard worden; Darwins boek heette niet voor niets ‘Over het ontstaan van soorten’. Natuurlijke selectie is overigens niet het enige proces dat een rol speelt in de dynamiek van de variatie in een populatie; andere processen, zoals genetic drift.

Als we tijdens paleontologievakken evolutie bespreken, komt natuurlijke selectie bijna nooit ter sprake. Het gaat dan vaak over massa-extincties, het ontstaan of opheffen van geografische barrières en klimaatveranderingen. Zo zorgde de meteorietinslag aan het einde van het Krijt voor het uitsterven van de dinosauriërs (behalve de vogels), wat ruimte creëerde voor met name de zoogdieren om de leeg gekomen ecologische posities in te nemen. Het is hier juist het ‘sterkere’ (dinosauriërs) dat het onderspit dolf, terwijl het ‘zwakkere’ (zoogdieren) er baat bij had.

Voor deze grootschaliger processen is het niet noodzakelijk dat het sterkere beschermd wordt ten koste van het zwakkere. Zolang er mutaties plaatsvinden, kan diversiteit op allerlei manieren plaatsvinden, zoals genetic drift en het flessenhalseffect. Uiteraard speelt natuurlijke selectie in de praktijk de grootste rol, maar hoeft niet noodzakelijk het geval te zijn.

Waarom is dit alles belangrijk? Het is voor theïstisch evolutionisten niet noodzakelijk om te veronderstellen dat elke vorm van diversiteit een scheppingsdaad van God is. Het is juist aannemelijk dat God de evolutie alleen op een hoger niveau als scheppingsmechanisme gebruikt, zeker als evolutie tot voorspelbare resultaten leidt, zoals door sommige wetenschappers, bijvoorbeeld Simon Conway Morris, is betoogd. Dit betekent dat God alleen maar toe hoeft te laten dat natuurlijke selectie gebruikt wordt om zo het sterkere te beschermen tegen het zwakkere, bijvoorbeeld door demonische krachten.

(N.B. Het kan zijn dat deze oplossing berust op mijn gebrek aan kennis over biologie of op de vreemde manier waarop evolutie wordt uitgelegd in paleontologievakken. Als dat zo is, laat het me dan vooral weten.)

Oplossing 2: De bescherming van het zwakkere en het verschil tussen mens en dier

Waarom beschermt God het zwakkere en waarom is dat een teken van Zijn goedheid? Peels (2019, 192-193) somt in zijn betoog een reeks Bijbelse voorbeelden op waaruit Gods neiging om ‘het kleine en kwetsbare’ te beschermen uit zou blijken, maar hij stelt nergens de vraag waarom God deze neiging vertoont. Naar mijn mening lost een antwoord op deze vraag het tweede probleem grotendeels op.

Om het antwoord op de vraag goed te begrijpen, is allereerst een kleine introductie in de politieke filosofie nodig. Een van de klassiekers van de politieke filosofie is A Theory of Justice van John Rawls (1971). Hierin houdt Rawls zich bezig met zogenaamde distributieve rechtvaardigheid. Deze vorm van rechtvaardigheid heeft betrekking op de vraag hoe in een samenleving goederen verdeeld moeten worden. Rawls is beroemd geworden vanwege zijn antwoord op die vraag, maar ik gebruik hem in dit verband voor de vraag wat datgene precies is dat rechtvaardig verdeeld moet worden. Rawls noemt deze zaken primary goods (in het vervolg: primaire goederen). Hij definieert deze als volgt:

[P]rimary goods, that is, things that every rational man is presumed to want. These goods normally have a use whatever a person’s rational plan of life. (Rawls 1971, 62)

Primaire goederen zijn dus dingen die iedereen wil hebben, ongeacht hoe hij zijn leven wil inrichten. Rawls verdeelt deze goederen in sociale en natuurlijke goederen:

(…) rights and liberties, powers and opportunities, income and wealth. (…) These are the social primary goods. Other primary goods such as health and vigor, intelligence and imagination, are natural goods[.] (Rawls 1971, 62)

Ik denk dat wij ‘het kleine en kwetsbare’ (Peels 2019, 192) het beste kunnen definiëren als ‘personen die weinig primaire goederen hebben’. Rawls laat direct zien waarom het een probleem is om klein en kwetsbaar te zijn: weinig primaire goederen betekent weinig kans om je leven te kunnen inrichten zoals je dat wilt als rationeel persoon. En dat verklaart ook waarom God het kleine en kwetsbare helpt: omdat het moreel goed is om personen te helpen om hun goed te kunnen inrichten.

Maar geldt dit ook voor andere organismen? Ik denk niet dat bijvoorbeeld een regenworm een bepaald plan met zijn leven heeft. Een regenworm met weinig primaire goederen is dan ook niet slechter af dan een regenworm met veel primaire goederen. Uiteindelijk draait evolutie om het aantal nakomelingen dat een organisme krijgt. Veel mensen ervaren het als onderdeel van hun levensplan om kinderen te krijgen en worden hier gelukkig van. In dat geval krijgt het wel of geen nakomelingen krijgen een morele lading, maar dit geldt niet voor organismen die geen levensdoel hebben. Als er geen rationeel levensdoel is, zijn er geen primaire goederen; en als er geen primaire goederen zijn, kan daar onder organismen ook geen verschil tussen bestaan.

Conclusie

Wat voortdurend in de gaten gehouden moet worden, is dat deze oplossingen er niet op gericht zijn om het probleem van natuurlijk kwaad als zodanig op te lossen. Waar ze op gericht zijn, is om het probleem van natuurlijk kwaad als scheppingsmechanisme op te lossen. Zo is er bij Oplossing 1 nog altijd de vraag waarom God de natuurwetten zo gemaakt heeft dat er natuurlijke selectie plaatsvindt waarbij het sterkere wordt bevoordeeld ten koste van het zwakkere (als dat zo zou zijn, zie Oplossing 2). Maar dit probleem is er ook als God niet geschapen heeft door natuurlijke selectie: ook jongeaardecreationisten erkennen dat natuurlijke selectie plaatsvindt en zouden dat probleem dus op moeten lossen.

Naar mijn mening zijn bovenstaande oplossingen voldoende om te concluderen dat evolutie niet in strijd met Gods karakter hoeft te zijn. Dat er tussen evolutie en Gods karakter geen aantoonbare spanning zit. De tweede en derde premisse in de logische structuur waarin ik het tweede probleem heb neergezet zijn in deze blogpost betwist. Een mogelijke reparatie van het tweede probleem zou kunnen door de twee oplossingen aan te vallen. De eerste oplossing kan aangevallen worden door te laten zien dat evolutie op een hoger niveau dan speciatie in de fysieke wereld niet anders kan dan door natuurlijke selectie, welke andere processen daarbij ook een rol mogen spelen. De tweede oplossing kan aangevallen worden door mijn definitie van ‘het kleine en kwetsbare’ aan te vallen of door aan te tonen dat andere organismen dan de mens wel degelijk aan deze definitie voldoen.

Over dat laatste zal het volgende deel in deze blogserie gaan. Hoe zit het met natuurlijk kwaad bij dieren die heel erg op de mens lijken, zoals chimpansees? In het volgende deel zal ik een oplossing voorstellen die wellicht een groot deel van het natuurlijk kwaad kan verklaren, hoewel er nog genoeg te verklaren valt voor nog een deel in deze serie.

Referenties

Peels, R. (2019). Is evolutie in strijd met Gods karakter? In W. Den Boer, R. Fransen, & R. Peels (Red.), En God zag dat het goed was (pp. 191–201). Kampen: Summum.

Rawls, J. (1971). A Theory of Justice. Cambridge MA: Harvard University Press.

Afbeelding is een detail uit het schilderij Ekster op de galg van Pieter Bruegel de Oudere. (Bron)

Theïstische evolutie en natuurlijk kwaad (3)

Öèôðîâàÿ ðåïðîäóêöèÿ íàõîäèòñÿ â èíòåðíåò-ìóçåå Gallerix.ru

Inleiding

In het vorige deel uit deze blogserie heb ik uitgelegd waarom ik niet tevreden ben met de oplossingen die Gijsbert van den Brink heeft aangedragen voor het eerste probleem dat ik uiteengezet heb in de openingspost. In dit deel wil ik hetzelfde doen voor Rik Peels’ oplossingsrichtingen voor het tweede probleem, zoals uiteengezet in het hoofdstuk ‘Is evolutie in strijd met Gods karakter?’ in het boek En God zag dat het goed was (Peels 2019). Op een eerdere versie van Peels’ argumentatie, gepubliceerd op Geloof en Wetenschap, is gereageerd door Eppie (2017). Mijn argumentatie is echter grotendeels anders.

Oplossing 1: Noodzakelijkheid (opnieuw)

Ook Peels maakt gebruik van de optie dat schepping door evolutie voor God de enige mogelijkheid was. De terechte opmerking die hij echter maakt, is dat evolutie slechts beter dan of even goed als de alternatieven moet zijn. De alternatieven hoeven dus niet metafysisch onmogelijk te zijn. Ook geeft hij twee redenen waarom evolutie voor God de beste optie was. Ten eerste is door evolutie ‘de schoonheid van een zichzelf ontvouwende schepping’ mogelijk geweest. Ten tweede is door evolutie het bestaan van God niet direct zonneklaar, waar theologische redenen voor zouden kunnen zijn.

Laten we nagaan of deze optie vanwege de argumenten die Peels geeft voor een creationist overtuigend zou zijn. Hoewel een zichzelf ontvouwende schepping wellicht mooi is, lijkt mij dit toch geen belangrijk punt. Tot de negentiende eeuw was deze zichzelf ontvouwende schepping voor vrijwel niemand als zodanig herkend en zelfs nu nog speelt dit voor vrijwel niemand een grote rol, alleen voor een handjevol wetenschappers en geïnteresseerden. Dit lijkt dus geen punt dat opweegt tegen grote hoeveelheden natuurlijk kwaad dat hiervoor benodigd is.

Er is echter een nog sterkere reden waarom het eerste argument van Peels niet opgaat. De zichzelf ontvouwende schepping is als zodanig wellicht iets moois, maar juist de bevoordeling van het sterkere tegenover het zwakkere is iets wat niet mooi is aan het proces. Dat betekent dat Peels zou moeten betogen dat survival of the fittest metafysisch de enige mogelijke manier is om een zichzelf ontvouwende schepping tot stand te brengen. Dat is een veel zwaardere claim waar ook weinig reden voor is om die te hanteren.

Ook de tweede reden die Peels geeft voor de eerste oplossing is mijns inziens weinig steekhoudend. Opnieuw geldt hier dat voor het grootste gedeelte van de mensen in de wereldgeschiedenis de evolutietheorie geen optie was. Was het voor deze mensen zonneklaar dat er een (theïstische) God bestond? Er blijken drie alternatieve reacties te zijn op de vraag hoe het universum en het leven zijn ontstaan. Allereerst was de meest gangbare reactie polytheïsme en animisme. De tweede reactie die met name tijdens de Verlichting opkwam, was deïsme. Een variant daarop, de derde mogelijkheid, is scepticisme. Theïsme is dus zeker geen onontkoombare conclusie als de evolutietheorie onwaar is. Creationisten kunnen dat natuurlijk helemaal beamen, omdat zij daadwerkelijk geloven dat de evolutietheorie niet waar is en desondanks is theïsme geen onontkoombare conclusie. Zeker voor creationisten is dit dus geen sterk argument.

In zijn Engelstalige artikel (Peels 2018) geeft Peels nog twee andere argumenten voor de eerste oplossing. Het eerste argument is dat overleving van de best aangepaste daadwerkelijk de enige mogelijke manier is om soorten te creëren, omdat ieder ander mechanisme ervoor zou zorgen dat soorten niet goed aangepast zijn aan hun omgeving. Mij lijkt echter dat er zeker andere opties zijn. Zo zou God een heel andere manier van erfelijkheid kunnen hebben scheppen, waardoor de slechter aangepaste organismen beter aangepaste nakomelingen zou krijgen. Het tweede argument is dat het wellicht niet mogelijk is om met creatio ex nihilo hetzelfde effect te krijgen als door evolutie, omdat (menselijke) vrijheid een geschiedenis vereist. Peels werkt dit punt verder niet uit, dus ik zal hier verder niet op in gaan.

Optie 2: Gods machtige en glorieuze kant

De tweede oplossingsrichting van Peels is dat Gods karakter ook een machtige en glorieuze kant heeft. Zelf geeft hij echter ook aan dat dit het tweede probleem uit de openingspost niet oplost, maar alleen meer in perspectief zet. Een ander punt dat Peels in het gedeelte maakt, is interessanter:

Belangrijk is bovendien dat God in deze wereld opkomt voor de weduwen en wezen juist omdat er in deze wereld kwaad is waardoor de weduwen en wezen en andere kwetsbaren vaak het onderspit delven. Het is goed mogelijk dat er niets aan het zwak zijn op zichzelf is dat God liefheeft of aantrekt. (Peels 2017, 198-199)

De vraag die Peels hier eigenlijk oproept, is of de tweede premisse in het tweede argument wel klopt. Moeten we de best en slechtst aangepaste in het evolutieproces wel gelijkstellen met het sterkere en zwakkere in de wereld om ons heen? Ook Eppie maakt dit punt. In het volgende deel zal ik ook in deze lijn het tweede probleem bekritiseren, maar wel op een andere manier dan hoe Peels het doet.

Gods bescherming van het zwakkere valt namelijk niet onder Zijn rechtvaardigheid – wat het geval zou zijn als Hij zwakkeren alleen maar tegen onrecht beschermt – maar onder Zijn goedheid. Dit is niet iets wat ik verzin, maar wat Peels zelf impliciet aangeeft in zijn uiteenzetting van het probleem (Peels 2019, 192-193). Dit betekent dat we Gods opkomen voor het zwakkere niet slechts als het beschermen van het zwakkere tegen onrecht kunnen interpreteren; God is eerder begaan met hun ‘lot’ als minderbedeelden. Bovendien delft het zwakkere in het dierenrijk ook vaak het onderspit dankzij het sterkere, bijvoorbeeld in een gevecht om eten of in een partnerstrijd. Daarin lijken ten minste dieren dus goed vergelijkbaar met weduwen en wezen in een slechte wereld.

Optie 3: Evolutie als moreel toneel

De derde optie noemt Peels speculatief en alleen relevant in combinatie met de eerste twee opties. Het komt erop neer dat moreel goede keuzes maken niet te makkelijk moet zijn. Als het in de natuur de regel zou zijn om zwakkere individuen te beschermen, zou het voor mensen ook voor de hand liggen om zwakkere individuen te beschermen. Dat wordt dan ‘normaal’, in plaats van ‘goed’. In een ‘immorele’ wereld wordt het juist een moedige opoffering en radicale keuze om moreel goede keuzes te maken. Eigenlijk is dit geen aparte oplossing, maar een onderdeel van de eerste oplossing, namelijk dat God genoodzaakt was om via evolutie Zijn doel tot stand te brengen. Peels (2018) betwijfelt of deze oplossing verklaart waarom er 3,5 miljard jaar aan evolutie met de overleving van de best aangepaste ten koste van de slechter aangepaste nodig was voor hooguit een paar honderdduizend jaar aan moreel gedrag, maar hij ziet het als een aanvulling. Toch heb ik er nog een aantal problemen mee.

Ten eerste is het niet zo dat het principe van survival of the fittest is dat individuen het sterkere willen verdedigen tegenover het zwakkere, maar dat het mechanisme dat doet. Het is zelfs te verdedigen dat natuurlijke selectie ervoor zorgt dat individuen geneigd zijn om de best aangepaste individuen te bestrijden, omdat zij de grootste concurrentie vormen. Ik ben er dus niet van overtuigd dat specifiek het mechanisme van survival of the fittest ertoe leidt dat individuen de neiging hebben om immoreel gedrag tegenover zwakkere individuen te vertonen.

Ten tweede veronderstelt deze oplossing dat moreel bewuste wezens alleen tot stand kunnen komen door een evolutieproces. Dat is echter maar zeer de vraag. God kan mensen immers ook ex nihilo geschapen hebben met de neiging om slecht te handelen, zodat goed handelen nog steeds een radicale keuze zou zijn.

Ten derde ben ik het niet helemaal eens met het idee dat moreel goed gedrag per se moeilijk zou moeten zijn. Een wereld waarin moreel goed gedrag de norm zou zijn, zou het weer heel lastig zijn om moreel slecht gedrag te vertonen. Dat zou moreel slecht gedrag weer extra erg maken, zoals in een wereld waarin mensen tot slecht gedrag geneigd zijn moreel goed gedrag extra mooi is. Peels geeft geen redenen waarom het ene scenario boven het andere te verkiezen is.

Conclusie

Peels (2019, 200) toont zich terughoudend in de verklarende kracht van de bovenstaande drie argumenten. ‘Een overtuigend antwoord op deze vraag neemt volgens mij in ieder geval de volgende drie dingen mee’ (Peels 2019, 200), zo schrijft hij. In deze blogpost heb ik uitgelegd waarom ik niet overtuigd ben dat zijn oplossingen een verklaring vormen voor het tweede probleem. In het volgende deel in deze serie wil ik zelf twee oplossingen naar voren brengen die een poging vormen om het probleem vanuit een heel ander perspectief te verklaren.

Referenties

Eppie. (2017, 16 februari). Evolutie en Gods karakter. URL: https://logos.nl/evolutie-en-gods-karakter/

Peels, R. (2018). Does Evolution Conflict with God’s Character? Modern Theology34(4), 544-564.

Peels, R. (2019). Is evolutie in strijd met Gods karakter? In W. Den Boer, R. Fransen, & R. Peels (Red.), En God zag dat het goed was (pp. 191–201). Kampen: Summum.

Afbeelding is een detail uit het schilderij Maagd op de rotsen van Leonardo da Vinci. (Bron)

Theïstische evolutie en natuurlijk kwaad (2)

Inleiding

In de opening van deze blogserie heb ik twee mogelijke problemen onderscheiden voor het theïstisch evolutionisme die gebaseerd zijn op natuurlijk kwaad. In dit deel zal ik Van den Brinks reactie op het eerste probleem bespreken (Van den Brink 2017, 142-180). Hoe is het mogelijk dat een goede God gebruik heeft gemaakt van evolutie als scheppingsmechanisme, terwijl evolutie lijden en dood onder dieren impliceert?

Van den Brink bespreekt eerst twee oplossingen die hij niet overtuigend vindt. De eerste daarvan is het neocartesianisme, dat ontkent dat lijden en dood onder dieren een moreel probleem is (p. 149-153). Deze theorie zal in een later deel van deze blogserie nog een belangrijke rol spelen. De tweede oplossing die Van den Brink niet overtuigt, is dat klassieke theorie van de kosmische val (p. 153-162). Deze theorie houdt in dat natuurlijk lijden ontstaan is als gevolg van de menselijke zonde, zoals ik ook in de vorige blogpost besproken heb. Van den Brink brengt hier filosofische en theologische argumenten tegenin en acht deze theorie onverenigbaar met de evolutietheorie.

Hierna geeft Van den Brink twee oplossingsrichtingen waarin hij wel potentie in ziet. Uit zijn bespreking en evaluatie van deze twee verklaringen komen in feite nog twee andere verhoudingen tegenover het probleem voort. Deze vier oplossingsrichtingen zal ik in deze blogpost bespreken.

Oplossing 1: Noodzakelijkheid

De eerste mogelijkheid is dat het evolutieproces de enige manier was waarop God levensvormen kon creëren (p. 163-166). Als God dan levensvormen of in het bijzonder bewuste levensvormen wilde scheppen, was Hij onvermijdelijk en noodzakelijk gebonden aan evolutie. Het natuurlijk kwaad dat inherent is aan evolutie is dan noodzakelijk om bepaalde goede dingen teweeg te brengen.

Zoals Van den Brink zelf ook aangeeft, is ook dit argument niet zonder problemen. Zelf kiest hij daarom ook voor de meer sceptisch theïstische versie van dit argument, die ik hieronder zal bespreken. Het is namelijk nogal lastig voorstelbaar dat echt alleen evolutie voor God een mogelijkheid is om levensvormen te scheppen. Er worden ook geen argumenten gegeven waarom dit zo zou zijn, zodat deze positie nogal zwak staat.

Waar het voor theïstisch evolutionisten nog een serieus te overwegen optie is, denk ik dat de noodzakelijkheidsoplossing weinig creationisten zal overtuigen. Zij geloven immers al in een alternatief scenario; namelijk dat God alle levensvormen uit het niets (of uit de aarde) in zes dagen heeft geschapen. Theïstisch evolutionisten zullen creationisten dus eerst moeten overtuigen dat een zesdaagse creatio ex nihilo metafysisch onmogelijk is voordat dit argument steek houdt.

Oplossing 2: Sceptisch theïsme

De variant van de eerste oplossing waar Van den Brink dan ook meer voor voelt, is sceptisch theïsme. Sceptisch theïsme houdt in dat de theïst (in dit geval: de theïstisch evolutionist) stelt dat het niet mogelijk is om te weten wat Gods bedoeling is met het natuurlijk kwaad dat Hij teweeg lijkt te brengen. Bevestiging voor dit standpunt wordt gevonden in het Bijbelboek Job, waarvan de boodschap ook lijkt te zijn dat de mens niet in staat is om te beoordelen of God goed of slecht handelt. Toch bevredigt ook deze positie mij niet, en wel om twee redenen.

Ten eerste moet scepticisme wat mij betreft altijd de laatste uitweg zijn, als alle andere opties ontoereikend gebleken zijn. Door de geschiedenis heen is immers gebleken dat mensen veel konden ontdekken en weten wat daarvoor voor onmogelijk werd gehouden. Wetenschappelijke theorieën leggen de aard van het universum bloot in een onvoorstelbaar detail; wiskundigen hebben in de wereld van getallen, meetkunde en algebra eveneens ongelooflijke ontdekkingen gedaan en ook filosofen en theologen zijn regelmatig tot diepe inzichten gekomen. Ook binnen het probleem van het lijden biedt bijvoorbeeld Plantinga’s free will defence een bevredigend antwoord voor ten minste een deel van het probleem. Claims dat een bepaald probleem voor het menselijk verstand ontoegankelijk zijn, bleken achteraf dus vaak fout te zitten. Daaruit volgt dat we dergelijke claims niet te snel moeten maken.

Ten tweede is sceptisch theïsme een impliciete erkenning dat creationisten (en niet-gelovigen) hier een goed argument hebben. Sceptisch theïsme betekent in feite dat je ermee kunt leven dat er zich een onopgelost probleem bevindt binnen je theorie. Creationisten hebben dit probleem niet, of in ieder geval minder. Daaruit volgt dat het jongeaardecreationisme op dit punt een aannemelijker theorie is dan theïstisch evolutionisme. Sceptisch theïsme is hooguit een manier om het argument te verzwakken, namelijk door te stellen dat het probleem niet sterk genoeg is om theïstisch evolutionisme te verwerpen.

Oplossing 3: Demonische krachten

De derde optie die Van den Brink noemt, is dat niet God direct de veroorzaker is van natuurlijk kwaad, maar dat dit door demonische krachten gebeurt (p. 166-172). Als demonische krachten net als mensen een vrije wil hebben, dan kan hier een free will defence gemaakt worden. Van den Brink geeft echter al zijdelings aan dat deze verdediging alleen werkt als het natuurlijk kwaad geen onderdeel is van Gods scheppingsproces (p. 170). Dit is echter wel de versie van het argument van natuurlijk kwaad waar ik mij in deze blogserie mee bezighoud. Als natuurlijk kwaad onderdeel is van Gods scheppingsmechanisme, dan heeft het kwaad niet allen toegelaten, maar ook gewild. En dat maakt voor de geldigheid van deze verdediging een groot verschil.

Dat wil niet zeggen dat deze hypothese volkomen waardeloos is. Ik denk zelf dat een groot deel van het natuurlijk kwaad met demonische krachten verklaard kan worden. Veel van het natuurlijk kwaad dat gedurende de evolutionaire geschiedenis heeft plaatsgevonden is mogelijk niet nodig geweest voor de evolutie zoals God die heeft gewild. Demonen kunnen het evolutieproces hebben geperverteerd. Binnen het theïstisch evolutionisme moet echter ten minste een deel van het natuurlijk kwaad dat inherent is aan evolutie door God zijn teweeggebracht.

Oplossing 4: Onderdeel van een groter probleem

Het laatste wat Van den Brink noemt, is dat het natuurlijk kwaad onder dieren in feite onderdeel is van een groter probleem (p. 176-177). Van den Brink schrijft hierover:

Het punt is hier niet dat alle of zelfs sommige theodicee-antwoorden daadwerkelijk ‘slagen’. Als ze werken met het oog op natuurlijk kwaad in het algemeen, is het moeilijk in te zien waarom ze niet ook zouden werken met het oog op evolutionair lijden in het bijzonder. En als ze niet adequaat zijn, moeten we dit niet aan evolutie wijten, aangezien hier andere redenen aan ten grondslag liggen. Het is in die zin dus wat vreemd wanneer mensen aangeven als gevolg van het evolutionaire lijden hun geloof verloren te hebben. (Van den Brink 2017, 177)

Mijn tegenwerping is hier weer dat dit niet per se geldt voor natuurlijk kwaad dat God heeft gebruikt in het evolutieproces; en daar lijkt Van den Brink toch op te doelen, want hij gebruikt de term ‘evolutionair lijden’. Er kan namelijk een reden zijn om toe te laten dat andere entiteiten iets doen (in dit geval: natuurlijk kwaad aanrichten) terwijl dat nog geen reden is om het zelf te doen. De free will defence verklaart wel waarom God toestaat dat mensen slechte dingen doen, maar zou niet verklaren waarom God dat Zelf zou doen.

Conclusie

In zijn hoofdstuk over natuurlijk kwaad heeft Van den Brink veel interessante en waardevolle suggesties gedaan om het probleem van natuurlijk kwaad voor theïstisch evolutionisme te verklaren. De beste suggestie (‘Oplossing 3’ en daaruit volgend ‘Oplossing 4’) gaat echter niet op voor natuurlijk kwaad dat inherent is aan het scheppingsmechanisme van God. Sceptisch theïsme is mogelijk als laatste uitweg, maar is in feite een erkenning dat creationisten hier een geldig argument hebben waarop theïstisch evolutionisten het antwoord schuldig moeten blijven. Dat evolutie voor God de enige mogelijkheid was om te scheppen ligt niet voor de hand, zeker niet voor creationisten die in een alternatief scenario geloven.

Referenties

Van den Brink, G. (2017). En de aarde bracht voort. Zoetermeer: Boekencentrum.

Afbeelding is een detail van het schilderij Tuin van Eden uit het atelier van Jheronimus Bosch. (Bron)

Theïstische evolutie en natuurlijk kwaad (1)

Jeroen Bosch

Inleiding

Een van de lastigste problemen voor het christelijk geloof is het bestaan van natuurlijk kwaad (natural evil). Het kwaad dat voortkomt uit menselijk handelen kun je nog redelijk verklaren met de vrije wil van de mens, maar wat is de verklaring voor natuurlijk kwaad? Nu het coronavirus rondwaart, wordt deze vraag weer gesteld, zowel door gelovigen als door niet-gelovigen. Ook in het schepping/evolutiedebat speelt deze vraag een grote rol. Voor veel jongeaardecreationisten zijn de aanwijzingen van dood en verderf in de geologische geschiedenis een reden om deze hele geschiedenis na de zondeval van de mens te plaatsen. Ik citeer Wim de Vries:

De (theïstische) evolutieleer tast veel van die eigenschappen van God aan. Het is niet of nauwelijks mogelijk om nog te belijden dat God rechtvaardig is en goed (…) als we de evolutietheorie aanvaarden. Want schepping door evolutie gaat gepaard met onvoorstelbaar veel dierenleed, wat inherent is aan Gods handelen, los van de zondeval. (De Vries 2020, 187)

In een artikelenserie wil ik enkele mogelijke oplossingsrichtingen voor het probleem van natuurlijk kwaad voor theïstisch evolutionisme bespreken en voorstellen. In het eerste deel werk ik uit wat nu precies de vragen zijn en bij wie de bewijslast ligt.

Probleemstelling

In feite zijn er twee verschillende vragen te onderscheiden die gaan over het verband tussen kwaad en de evolutietheorie:

  1. Als de geschiedenis van dood en verderf die we terugzien in de fossielen voorafgaat aan de zondeval van de mens, waar komt dit kwaad dan vandaan?

Uitleg: Jongeaardecreationisten verklaren het natuurlijke kwaad in de wereld zelf doorgaans door middel van de zondeval. Doordat Adam en Eva zondigden tegen God is de hele schepping vervloekt, omdat zij de leiding over de schepping hadden. God blijft dan de primaire oorzaak van natuurlijk kwaad, maar de mens is de secundaire oorzaak. Als God dan een reden heeft om de val van de mens toe te laten, kan dit verklaren waarom Hij het bestaan van natuurlijk kwaad toelaat. (Daarbij wordt wel aangenomen dat het rechtvaardig is dat de schepping wordt vervloekt omwille van de val van de mens, wat twijfelachtig is.) Als er echter al natuurlijk kwaad was voordat de mens bestond, kan de val de mens geen verklaring voor dit kwaad zijn en blijft de vraag wat dan wel de verklaring voor natuurlijk kwaad is.

  1. Volgens theïstisch evolutionisme heeft God mensen en dieren geschapen door middel van evolutie; een belangrijk mechanisme binnen evolutie is de overleving van de best aangepaste en het (uit)sterven van de slechtst aangepaste; is dit mechanisme in overeenstemming te brengen met het karakter van God?

Uitleg: Uit de Bijbel leren we dat God werkt door middel van personen waarvan je het niet verwacht. De volgelingen van Jezus waren geen geleerde theologen uit Jeruzalem, maar eenvoudige vissers en tollenaars uit Galilea. Maar zelfs de twaalf discipelen die Jezus speciaal heeft uitgekozen laten het op het meest cruciale moment (kruisiging en opstanding) afweten en zijn de belangrijkste getuigen vrouwen, wier getuigenis in die tijd niet hoog werd gewaardeerd. Ook in andere gedeeltes van de Bijbel wordt geroemd om Zijn bescherming van de zwakkeren. Hij is de God Die ‘onderdrukten recht doet,’ de vreemdeling bewaart en ‘wees en weduwe staande’ houdt (Psalm 146:8,9). Dit levert echter een probleem op voor theïstisch evolutionisten:

Dit is echter moeilijk in overeenstemming te brengen met het darwiniaanse evolutiemechanisme dat uitgaat van het recht van de sterkste en de survival of the fittest, waardoor de niet-aangepaste, zwakke en zieke organismen verwijderd worden. (Paul 2017, 293)

Een probleem voor oudeaardecreationisten

De tweede vraag is specifiek gericht tegen de idee dat evolutie het scheppingsmechanisme is dat God heeft gebruikt om de soorten te scheppen. Het is daarom mogelijk om de hoge ouderdom van de aarde te accepteren en het probleem in de tweede vraag te omzeilen. Dit is wat oudeaardecreationisten doen. Zij accepteren de hoge ouderdom van de aarde, maar accepteren de evolutietheorie niet. Voor hen is er echter nog wel het eerste probleem, want daarvoor is de enige vereiste dat er natuurlijk kwaad was voordat er mensen waren. Dit probleem staat dus enigszins los van de evolutietheorie. Oudeaardecreationisten hebben dan ook verklaringen voor natuurlijk kwaad voorgesteld die wel in overeenstemming zijn met de hoge ouderdom van de aarde maar niet met de evolutietheorie. Van jongeaardecreationistische zijde is hier ook weer op gereageerd (Eppie 2018). In deze artikelenserie ga ik voorbij aan het probleem dat geldt voor oudeaardecreationisten en wil ik ook het eerste probleem toespitsen op de evolutietheorie. Het probleem wordt op die manier krachtiger en moeilijker te weerleggen.

Een logische weergave

Om de argumentatie goed te kunnen analyseren zal ik van beide problemen eerst een logische weergave geven. Op die manier kun je zien van welke aannames (premissen) het argument gebruikmaakt, zodat je vervolgens een poging kunt doen om deze aannames te ondergraven.

Voor het eerste probleem ziet de logische weergave er als volgt uit:

  1. God schiep door middel van evolutie (aanname voor de reductio ad absurdum)
  2. God is goed (eerste premisse)
  3. Als God goed is, kan Hij niet de directe veroorzaker zijn van kwaad (tweede premisse)
  4. God is niet de directe veroorzaker van kwaad (uit 2, 3)
  5. Voor evolutie is het sterven van dieren nodig (derde premisse)
  6. God schiep door middel van het sterven van dieren (uit 1, 5)
  7. Het sterven van dieren is kwaad (vierde premisse)
  8. God schiep door middel van kwaad (uit 6, 7)
  9. Als God door middel van kwaad schiep, is Hij de directe veroorzaker van kwaad (vijfde premisse)
  10. God is zowel niet als wel de directe veroorzaker van kwaad (contradictie uit 4, 9)
  11. God schiep niet door middel van evolutie (conclusie, verwerping van de reductio-aanname uit 1, 10)

De argumentatiestructuur van het tweede argument ziet er als volgt uit:

  1. God schiep door middel van evolutie (aanname voor de reductio ad absurdum)
  2. God beschermt doorgaans het zwakkere tegenover het sterkere (eerste premisse)
  3. In het evolutieproces zijn de minst aangepaste organismen ‘het zwakkere’ en de best aangepaste organismen ‘het sterkere’ (tweede premisse)
  4. Evolutie is doorgaans het sterven van de minst aangepaste organismen en het overleven van de best aangepaste organismen (derde premisse)
  5. Evolutie is doorgaans het sterven van het zwakkere en het overleven van het sterkere (uit 3, 4)
  6. God schiep doorgaans door middel van het sterven van het zwakkere en het overleven van het sterkere (uit 1, 5)
  7. Als God doorgaans schiep door middel van het sterven van het zwakkere en het overleven van het sterkere, dan beschermt Hij doorgaans het sterkere tegenover het zwakkere (vierde premisse)
  8. God beschermt doorgaans het zwakkere tegenover het sterkere en Hij beschermt doorgaans het sterkere tegenover het zwakkere (contradictie uit 2, 7)
  9. God schiep niet door middel van evolutie (conclusie, verwerping van de reductio-aanname uit 1, 8)

Het vele gebruik van het woord ‘doorgaans’ is niet zo mooi, maar wel belangrijk. Het is voor het argument niet nodig om te stellen dat God altijd het zwakkere tegenover het sterkere beschermt, alleen dat dit over het algemeen zo is. Het is ook van belang om op te merken dat met ‘beschermen’ hier een actief proces bedoeld is. God kan dus wel toelaten dat het zwakkere het af moet leggen tegenover het sterkere, maar Hij kan daar niet Zelf voor zorgen.

De bewijslast

Beide argumenten zijn gericht tegen theïstisch evolutionisten en worden doorgaans gebruikt door jongeaardecreationisten en niet-gelovigen). In de vorm zoals ik de argumenten hierboven heb weergegeven worden de argumenten gebruikt door jongeaardecreationisten (de conclusie is immers dat God niet door middel van evolutie schiep). Dat betekent ook dat zij de bewijslast hebben om te laten zien dat deze argumenten geldig zijn. Toch wil ik daarbij nog een belangrijk onderscheid maken tussen de werking van de argumenten vanuit twee verschillende perspectieven.

De eerste functie die de argumenten kunnen hebben, is het ondermijnen van de positie van de theïstisch evolutionist. Dat houdt in dat creationisten een poging doen om de theïstisch evolutionist ervan te overtuigen dat diens visie niet correct is. In dat geval moeten de argumenten en de premissen daarin allemaal correct zijn vanuit het perspectief van de theïstisch evolutionist.

Een argument kan echter ook gebruikt worden om de eigen positie te verstevigen. Het is dan een van de redenen die een creationist heeft om niet tot een andere overtuiging te komen dan het jongeaardecreationisme. Wil de theïstisch evolutionist de creationist van dat idee af helpen, dan moet hij het argument ondergraven vanuit het perspectief van de creationist.

Het verschil tussen deze twee wordt misschien duidelijk met een voorbeeld. Stel, een man en een vrouw willen samen op vakantie. De man is van mening dat de kosten van de vakantie irrelevant zijn voor het bepalen van de bestemming; geld speelt voor hem geen rol. De vrouw vindt het wel belangrijk hoe duur de vakantie is. De man stelt vervolgens een cruisevakantie voor, maar de vrouw vindt dat te duur. In dat geval zijn de kosten van de cruisevakantie wel een reden voor de vrouw om het voorstel niet te accepteren, maar niet een argument waarmee zij de man ervan kan overtuigen dat het een slecht voorstel is.

Dit verschil lijkt misschien onbelangrijk, maar het zal blijken dat verschillende verklaringen die voor de bovenstaande argumenten gegeven zijn, wel goed werken vanuit theïstisch evolutionistisch perspectief, maar voor creationisten lastig te accepteren zijn. Daarom moeten we goed op dit onderscheid blijven letten. Zelf wil ik niet alleen theïstisch evolutionisten, maar ook creationisten ervan overtuigen dat de bovenstaande argumenten problemen kennen.

Aanpak

In deze blogserie wil ik ingaan op beide argumenten tegen het theïstisch evolutionisme. Daarbij zal ik me zo nu en dan buiten mijn eigen vakgebied moeten begeven, namelijk op het terrein van de biologie enerzijds en de theologie anderzijds. Ik zal echter proberen het bij de filosofie te houden en deze uitstapjes zoveel mogelijk te beperken.

Voordat ik mijn eigen oplossingen voor de problemen voordraag, wil ik eerst ingaan op twee eerdere besprekingen van de problemen vanuit theïstisch evolutionistische hoek. De eerste daarvan is Hoofdstuk 5 uit En de aarde bracht voort van Gijsbert van den Brink (2017, 142-180), waar hij ingaat op het eerste probleem. De tweede bespreking is die van Rik Peels (2019), die ingaat op het tweede probleem. In de volgende blogpost zal daarom allereerst het hoofdstuk van Van den Brink aan bod komen.

Referenties

Van den Brink, G. (2017). En de aarde bracht voort. Zoetermeer: Boekencentrum.

Eppie. (2018, 4 juli). Oude aarde creationisme is niet in harmonie met het feit van de goedheid van God. URL: https://logos.nl/oude-aarde-creationisme-is-niet-in-harmonie-met-het-feit-van-de-goedheid-van-god/

Paul, M. J. (2017). Oorspronkelijk. Apeldoorn: Labarum Academic.

Peels, R. (2019). Is evolutie in strijd met Gods karakter? In W. Den Boer, R. Fransen, & R. Peels (Red.), En God zag dat het goed was (pp. 191–201). Kampen: Summum.

De Vries, W. (2020). Schepping en evolutie in Bijbels licht. In De Vries, W., De Vries, M.J. & De Vries, P. (Red.), Woord & Wetenschap (pp. 159–197). Apeldoorn: Labarum Academic.

Afbeelding is een detail van het schilderij Tuin der lusten van Jheronimus Bosch. (Bron)